Nederlandse burgers, geen onderdanen Marokko

Wij zijn burgers van Nederland en keuren elke bemoeienis van de Marokkaanse overheid met ons leven af, schrijven Salima Belhaj en anderen.

Rabat voert al decennialang een controlepolitiek over de Marokkaanse gemeenschap in Nederland. Ten tijde van koning Hassan II ging dat gepaard met intimidatiepraktijken via de beruchte Amicales. Onder het huidige bewind van Mohamed VI wordt een softe strategie gevolgd. Ook voor deze nieuwe beïnvloedingstactieken heeft de Marokkaanse gemeenschap meermalen gewaarschuwd.

De veronderstelde spionagezaak in Rotterdam heeft extra dynamiek gegeven aan de praktijken van bemoeienis en beïnvloeding. Hiermee wordt de lange arm van Rabat-nieuwe-stijl bevestigd. De ondertekenaars van dit manifest hebben een Marokkaanse achtergrond en uiteenlopende professionele profielen en betrokkenheden, maar zijn bovenal Nederlandse burgers. Zij spreken zich uit tegen de Marokkaanse inmenging. In Nederland ligt onze toekomst en die van onze kinderen.

Na bijna veertig jaar stellen wij vast dat de Marokkaanse gemeenschap aardig is geaard in Nederland. Vanaf de eerste generatie is hard gewerkt en geknokt voor eigen rechten en belangen. Vaak met steun van Nederlandse bonden, kerken, andere maatschappelijke organisaties en ook gewone individuen. Erkenning en waardering daarvoor is op zijn plaats.

De Marokkaanse gemeenschap is hybride en dynamisch geworden. Zij blinkt uit in positief, maar helaas ook in negatief talent. Er zijn uit de schoot van deze gemeenschap bekende en succesvolle zonen en dochters geboren: schrijvers, politici, ondernemers en sporters. Maar we kunnen niet ontkennen dat een deel van haar kinderen criminelen en religieuze fanatici zijn.

Het debat in Nederland over de integratie van Marokkaanse Nederlanders en de islam dwingt de gemeenschap voortdurend tot zelfkritiek. Er worden harde noten gekraakt, ook in eigen kring. Maar we zien ook een negatieve reactie hierop, zoals radicalisering en zich afkeren van de samenleving.

Wij zijn representanten van een grote groep die voor Nederland kiest, in voor- en tegenspoed. Met dit manifest willen wij dit benadrukken. Wij nemen hiermee onze verantwoordelijkheid.

If you are on a lucky run and have won a ton of money playing casino games at http://www.mobile-casinos.ca, you can donate some of it to an NGO in Morocco.

Wij behoren tot een zelfbewuste generatie die meedoet en op een democratische wijze ageert en reageert op problemen in de samenleving. Ons pleidooi is gebaseerd op respect, vrijheid, zelfbeschikking en tolerantie.

Wij zijn burgers van Nederland en keuren elke bemoeienis van de Marokkaanse overheid met ons leven hier af. Wij wijzen op de politieke, juridische en maatschappelijke complicaties die Nederlandse burgers met een Marokkaanse achtergrond ervaren in hun relatie met de Marokkaanse staat. Op het vlak van vrouwenrechten, nationaliteit, naamkeuze voor eigen kinderen, religieuze oriëntatie en seksuele voorkeur lopen veel nieuwe Nederlanders vast, elke dag. Wij willen baas zijn over ons eigen leven in Nederland. Wij, maar vooral onze kinderen, zijn geen onderdanen van de koning van Marokko. Wij kiezen voor burgerschap van Nederland. Binding houden met familie en cultuur, of ons bekommeren om misstanden in Marokko, doen wij liever op vrijwillige basis.

Wij roepen de politiek, maatschappelijke organisaties en samenleving op ons te steunen. Heb oog voor onze diversiteit en vitaliteit. Wij willen onszelf niet langer als tijdelijke exotische toevoeging beschouwen. Wij onderschrijven de Grondwet naar letter en geest. Wij nemen afstand van elke vorm van opportunistische en populistische politiek. Politici die zich hiervan bedienen, geven slechts blijk van hun onmacht, terwijl de samenleving intussen wel uiteen wordt gescheurd. Er bestaat namelijk geen makkelijke oplossing.

Dit manifest is ook een oproep aan andere Marokkaanse Nederlanders zich op te stellen als verantwoordelijke en volwaardige burgers van Nederland. Veertig jaar geleden was de landing van de eerste generatie. Een generatie vol hoop, maar ook vol angst. Het is de hoogste tijd de blik definitief op Nederland te richten.

M’hamed Abttoy (cartoonist), Salima Belhaj (D66 fractievoorzitter Rotterdam), Habib el Kaddouri, Farid Aoulad Lahcen (bestuurder Stem Marokkaanse Democraten Nederland), Fouad El Haji (raadslid PvdA Rotterdam), Asis Aynan (schrijver), Mohammed Benzakour (publicist), Abdelghafour Ahalli, Majid Ben Ali, Farid Benkaddour (onderwijzer), Ali Belhaji (onderwijzer) en Said Bouddouft.

Bron: 8 oktober 2008, de Volkskrant

Focus op Marokkanen is onterecht: rotjongens zijn rotjongens

If you’re on a business trip in Morocco and are feeling somewhat lonely, you can use your phone to play casino games at Pocketcasino.

Marcia Nieuwenhuis DEN HAAG .

Als er iemand is van wie de term kut-Marokkanen níet afk omstig is, dan is het van Dagmar Oudshoorn. De voorzitter van de deelraad Feijenoord wil af van de focus op Marokkanen.

‘Bij mij in de gemeente maakt afk omst niet uit. Rotjongens zijn rotjongens.’ De Rotterdamse keert zich tegen de verharding in haar partij. ‘Alleen pappen en nathouden is niet goed, maar alleen repressie ook niet. Je mag de idealen waar je voor staat niet verloochenen, ook al kost dat soms kiezers. Ik heb het gevoel dat dat bij een aantal partijen – waaronder de PvdA – nu wel gebeurt. De nuance is zoek.’

Volgens Oudshoorn – Nederlandse moeder, Surinaamse vader – zijn er in de wijken drie dingen nodig. ‘Voor de mensen die zelfstandig zijn, moet je zorgen dat er voorzieningen zijn. De mensen die hulp nodig hebben, moet je een steuntje in de rug bieden. En de mensen die niet willen, hebben af en toe schop onder hun kont nodig.’ Oudshoorn vindt het goed om rekening te houden met achtergrond, maar dat mag nooit een excuus vormen. ‘Op het moment dat je mensen consequent in het verdom-hoekje zet, wordt het een self-fulfilling prophecy. Als ze hun best doen, worden ze alsnog in het verdomhoekje gezet.’

Ook PvdA-stadsdeelvoorzitter in Amsterdam-Zuidoost Elvira Sweet deelt met oud-minister Vogelaar de vrees ‘van het labelen van migranten’. ‘Ik heb niets tegen Marokkanen. Je moet niet elke keer focussen op één etnische groep.’ De bestuurder van het stadsdeel met honderddertig nationaliteiten is bang dat de PvdA kiezers in de handen Geert Wilders drijft. ‘Ik denk dat je de PVV zo te veel kans geeft om erop te schieten.’

Sweet benadrukt dat het met een groot deel van de Marokkanen ‘uitstekend’ gaat en noemt ‘het stigma’ op de Marokkaanse groep ‘onterecht’. De van oorsprong Surinaamse politica is het niet met partijleider Bos eens. Ze steunt de afgetreden minister Vogelaar. ‘Je moet er eerst alles aan doen om mensen een betere sociaal-economi-sche positie te laten veroveren. Pas waar zaken niet goed gaan, mag je die benoemen. Natuurlijk moet je streng zijn, als het gaat om overlastveroorzakers.’

Sweet beroept zich op Obama:verbindingen leggen tussen zwart en wit. ‘Er is absoluut een relatie tussen opleiding en sociaal-economische positie. Ik heb hier geleerd dat de binding met de samenleving dan vaak vanzelf volgt.’

De lokale bestuurders hadden minister Vogelaar meer tijd gegund. Ze roemen haar voelbare betrokkenheid. Sweet: ‘In Zuidoost was zij best een graag geziene bewinds-persoon. Wat het lastig maakte is dat Vogelaar begon met nul-kommanul euro. Dat heeft haar opgebroken.’ Oudshoorn: ‘Zij kende, herkende en mailde met mensen. Ze had respons. De mensen vertrouwden haar, ook al wisten ze dat er problemen waren met de financiën.’

Voor Sweet was het even schrikken dat Vogelaar het veld moest ruimen. Diezelfde morgen was de PvdA-bewinds-vrouw nog in haar stadsdeel Zuidoost geweest om aan kinderen boekjes uit te delen over hoe je omgaat met de brandweer.

‘Ze kwam rechtstreeks, gedoucht en wel van het vliegveld, heel keurig. Ze was ontspannen. Ik kreeg absoluut niet het idee dat ze dacht dat het haar laatste dag zou zijn.’

Preekkoren start met Asis Aynan in Laurenskerk

Met een interreligieuze dienst in de Laurenskerk en aansluitend een concert door drie kinderkoren gaat zondag 12 september (S)preekkoren. Hoor jij wat ik geloof van Kosmopolis van start. De openingspreek wordt gehouden door Asis Aynan (schrijver van o.m. Ik Driss). De kinderkoren, die buiten op het Stadspodium zullen zingen, zijn het Anasheedkoor Al Wahda, de Caraïbische gospelgroep All for Jesus en het Surinaamse koor ZaMuDa.

(S)preekkoren bestaat uit drie onderdelen: een korenprogramma gericht op interreligieuze uitwisseling in de wijken, een prekendeel waarbij voorgangers van verschillende religies preken in elkaars gemeente, en een slotmanifestatie op 28 november in de Rotterdamse Schouwburg. De deelnemende religieuze leiders hebben als leidraad gekozen voor religieuze verhalen over de toevallige ontmoeting, vertrouwen versus wantrouwen en verdraagzaamheid in de samenleving. Onderliggende vraag is de betekenis van toeval in religie, oftewel: Toeval bestaat niet?
De twee kinderkoren Al Wahda en All for Jesus zingen ook op zondag 28 augustus samen met de islamitische scouts van Ibn Batutta tijdens een interreligieuze Kids Iftar in IJsselmonde.

Opening (S)preekoren. Hoor jij wat ik geloof?

Datum en tijd:
zondag 12 september

10.30 uur interreligieuze dienst met gastpreker
14.00 uur gezamenlijk optreden drie kinderkoren

Plaats:
Laurenskerk, Grotekerkplein 27 (dienst), Stadspodium voor de kerk (concert)

Kids Iftar

Datum en tijd:
zaterdag 28 augustus
vanaf 18.30 uur

Plaats:
Scouting Ibn Batutta, Olympiaweg 361, Rotterdam

Petitie tegen discriminerende namenlijst Marokkaanse overheid

STOPMarokkanen, zowel in Marokko als in het buitenland, moeten hun kinderen een naam geven die op de Marokkaanse namenlijst voorkomt. Deze namenlijst bevat hoofdzakelijk Arabische namen en is daarmee per definitie discriminerend. Vooral voor de oorspronkelijke bewoners van Marokko, de Imazighen. De Imazighen, ook Berbers genoemd, hebben hun eigen namen maar mogen deze officieel niet gebruiken. Als u wilt dat er een eind deze namenlijst komt dan verzoek ik u de petitie te tekenen.

Moroccans, both in Morocco and abroad, have to give their children names that are approved by the Moroccan authorities. The namelist issued by Morocco contains mainly Arabic names and is therefore discriminating. Especially towards the indigenous peoples of Morocco, the Imazighen. The Imazighen, also known as Berbers, have their own names but are not allowed to use them officially. Please sign the petition if you want this list to be abolished.

Les Marocains au Maroc et à l’étranger doivent choisir des noms pour leurs bébés d’une liste éditée par les autorités Marocaines. Cette liste contient principalement des noms Arabes, ce que veut dire que cette liste est discriminatoire. Surtout pour les peuples indigènes du Maroc, les Imazighen. Les Imazighen, ou les Bèrbères, ont leurs propres noms mais ne peuvent les utiliser officiellement. Si vous voulez que cette liste sera abolit, signez la pétition s’il vous plaît.

Taal en literatuur van de Timazighin

Taal en geografische gegevens

Het Tamazight of Berbers is de tweede grote taal van Noord-Afrika na het Arabisch, en wordt door ongeveer 15 miljoen mensen gesproken. Ongeveer 40 percent van de bevolking in Marokko spreekt Berbers, en 20 percent van de bevolking in Algerije. Het percentage in de andere Noord-Afrikaanse landen, zoals Mali, Niger, Libië en Tunesië, is veel lager.

Een belangrijk punt gaat over de naam. In het Nederlands gebruikt men vooral de naam Berbers, maar Tamazight wordt steeds meer bekend als vervanger van het woord Berbers. Om deze naamsverandering te begrijpen moeten we kijken naar de etymologische oorsprong van het woord Berbers. Berber is een denominatie die door buitenstaanders gekozen werd. Het komt van een oud Grieks woord: barbaroi. Barbaroi betekent letterlijk “degenen die niet goed kunnen praten” en figuurlijk wil het zeggen “degenen die ”barbaren” zijn”.

Ook al denk je meestal niet aan de etymologische oorsprong als je “Berbers” zegt, het is toch geen vleiende naam. Sinds een paar jaar wordt dus de naam Tamazight gebruikt. Waarom? Omdat Tamazight gekozen wordt door mensen die zelf ”Berbers” spreken.

Om precies te zijn is Tamazight de taal van de Middel-Atlas in Marokko, maar deze term is ook bekend in andere Noord-Afrikaanse regio”s en werd dus gekozen als vervangende naam voor het Berbers. Tamazight betekent “de taal van de Amazigh”, en Amazigh is het enkelvoud van Imazighen die ik in het begin heb genoemd. We kunnen Imazighen vertalen als “Vrije mensen” en Tamazight als “de taal van de vrije mens”. Tamazight is dus een positieve naam die de term Berbers langzaam vervangt in wetenschappelijk en dagelijks taalgebruik.

Er zijn nog andere belangrijke namen die ik wil vermelden. Een aantal van jullie kent waarschijnlijk de naam Tarifit, en misschien ook de namen Tachelhyt, Takbaylit en Tamasheq. Wat voor namen zijn dat en wat is hun betekenis? Deze termen beschrijven de Berberse taal of Tamazight die in verschillende regio”s in Noord-Afrika lokaal gesproken wordt. Van Libië tot Mauritanië en van Marokko en Algerije tot Mali en Senegal spreekt men verschillende vormen van Tamazight of Berbers; de lokale taal wordt genoemd naar de plaats waar het gesproken wordt of naar de mensen die er wonen. Dus in de Rif, in het noorden van Marokko, spreekt men Tarifit – het Riffijns [Tarifit is een vrouwelijk woord met de medeklinker “t” aan het begin en eind van “Rif”]; in de Middel-Atlas, zoals ik net zei, spreekt men Tamazight en meer in het zuiden van Marokko spreekt men Chleuh of Tachelhyt. In Noord-Algerije spreekt men Taqbaylit en Tachawit. In de Sahara wordt het Tamazight in het gebied van het Mzab[FD1] gesproken, en verder naar het zuiden vinden we de Tuaregs, die ook een vorm van Berbers spreken: ze spreken Tamachek in Mali en Niger (in het Adagh des Iforas (plus de Tamajert in de Aïr, Niger) en Tamahakin Algerije (Hoggar en Tassili). Ook in Libië spreekt men Tamazight in de bergen van de Djebel Nefusa en in het oasegebied van Ghat. Dan zijn er nog kleine ”eilanden”, een beperkt aantal plekken waar Tamazight gesproken wordt – ook in Tunesië (Djerba). De meest oostelijke plek waar Tamazight bekend is, is de oase van Siwa[FD2] bij de grens tussen Libië en Egypte.

Er is een belangrijke vraag die vaak gesteld wordt: Is het Berbers/Tamazight een Arabisch dialect? Berbers is volgens taalwetenschappers geen Arabisch dialect, het is dus een taal op zich. Maar het hoort wel bij een taalgroep, de Afro-Aziatische taalfamilie, waar het Arabisch en het Hebreeuws deel van uitmaken, en ook andere talen die in Oost-Afrika gesproken worden zoals het Somali, het Galla en het Oromo. Dit zijn allemaal op zichzelf staande talen die toch op verschillende niveau”s goed vergeleken kunnen worden.

Oraliteit en schriftcultuur

De volgende vraag vormt tevens de opening voor het deel van mijn lezing dat[FD3] over de literaire creatie gaat. Is het Tamazight/Berbers ook een geschreven taal?

Het Tamazight is vooral bekend als een orale[FD4] taal, wat wil zeggen dat mensen die Tamazight spreken andere talen gebruiken om te schrijven: het Arabisch, het Frans of bijvoorbeeld het Nederlands. Het gebeurt wel dat Imazighen andere talen gebruiken om te schrijven, maar het is niet altijd en niet overal het geval geweest.[FD5]

Vóór en ook tijdens de oude Romeinse bezetting van Noord-Afrika, spreekt men in de regio een oude vorm van Berbers, het Lybisch-Berbers, dat ook werd geschreven in een zeer mooi geometrisch alfabet, het Tifinag. Het Tifinagh kon verticaal en horizontaal geschreven worden, zowel “van links naar rechts” als “van rechts naar links”.Er zijn vele inscripties in dit schrift bewaard gebleven, waarvan een aantal tweetalige in het Latijn en het Tifinagh, maar de ontcijfering blijft een raadsel. De datering van de inscripties blijft eveneens onzeker; wat we weten is dat het over een periode van verschillende eeuwen gaat, waarschijnlijk vanaf de zesde eeuw tot het Romeinse tijdperk (Chaker 1987).

We kennen dus een zeer oude vorm van geschreven Tamazight. Dit oude schrift kan beschouwd worden als een voorvader – of misschien een voormoeder – van het huidige Tifinagh dat door de Tuaregs gebruikt wordt. Bijna iedereen in hun taalgebied[FD6], mannen, vrouwen en kinderen, kent het Tifinagh en gebruikt het om korte en persoonlijke teksten te schrijven. Het gaat bijvoorbeeld om informatie over wie er bij een afspraak zal verschijnen en hoe laat, of welke route je moet nemen, een beetje zoals we een SMS sturen met een mobieltje. Een ander voorbeeld is het schrijven in het Tifinagh op zand, wanneer men voor zichzelf (of gedurende een discussie) iets opschrijft of wanneer men een bericht wil achterlaten aan iemand die eraan komt (Cardona 1990: 146).

Het Tifinagh wordt dus dagelijks gebruikt voor communicatie, maar traditioneel werd het niet voor het schrijven van lange teksten en boeken gebruikt. Hoe kwam dat?

We kunnen twee hypothesen stellen. Aan de ene kant konden de Tuaregs het Arabisch gebruiken als ze langere teksten wilden schrijven. Aan de andere kant is het beperkte gebruik van het Tifinagh waarschijnlijk met de sociale organisatie verbonden. Meestal worden lange geschreven teksten ontwikkeld voor het bestuur [FD7]van een gecentraliseerde staat of sultanaat. Maar de Tuaregs waren zeer trots op hun eigen onafhankelijkheid, en ze zijn altijd in verschillende groeperingen verdeeld gebleven.

Beide mogelijke oorzaken sluiten de mogelijkheid van een nieuwe ontwikkeling van het Tifinagh niet uit. Het Tifinagh werd recentelijk gebruikt voor het schrijven van educatieve teksten in Mali en nog recenter werd het Neo-Tifinagh gekozen voor een onderwijsexperiment in het lager onderwijs in Marokko, door het Koninklijke Instituut voor de Amazigh Taal.

Er is dus ook een moderne vorm van schrijven in het Tamazight. Een voorbeeld van dit alfabet staat op de poster van dit festival, onder de foto van een leuk Berbers meisje.

Maar er bestaan ook nog andere vormen van het schrijven in het Tamazight. Men kan andere schriften gebruiken om de eigen taal op te schrijven. De Imazighen hebben dat inderdaad gedaan, daarvoor hebben ze voornamelijk het Latijn en het Arabisch gebruikt.

Uit Arabische bronnen weten we dat geletterde Berbers Tamazight teksten hebben geschreven in het Arabische schrift. Middeleeuwse dichters componeerden gedichten en historische verhalen in het Tamazight en zetten ze op papier in het Arabische schrift. Om duidelijk te zijn: deze gedichten werden in het Arabische schrift geschreven maar in de Tamazight taal, zoals je Berbers of Grieks ook middels het Latijnse alfabet kunt transcriberen.

De middeleeuwse teksten waren meestal kronieken, verzamelingen van woorden en hun betekenis, en andere werken van didactische aard, religieus of geneeskundig, die we tot de 16e eeuw kunnen dateren. Een beroemd religieus verhaal is b.v. het Gedicht van Saby over de heldendaden van Jozef, waarvan we nog enkele manuscripten in Chleuh hebben, uit de 19e en 20e eeuw. Hoewel het merendeel van de bewaard gebleven teksten door het onderwijs van de islamitische kennis en het literaire aspect centraal stond[FD8], kan men esthetische elementen erkennen, zoals alliteratie, metrum, taalkundige leningen en archaïsmen, evenals het gebruik van retorica en formules die zichtbaar met de mondelinge productie te maken hebben.

Deze schriftelijke traditie van educatieve en religieuze teksten in het Tamazight kan men duidelijk onderscheiden van de eigentijdse geschreven productie in zowel het Latijnse als Arabische schrift. Vanaf het begin van de vorige eeuw begonnen steeds meer geletterde Imazighen teksten te schrijven, en we hebben nu een aardig corpus van moderne geschreven genres in het Tamazight, zoals verzamelingen van verhalen en gedichten, romans en theater.

Een aantal moderne schrijvers en regisseurs in het Tamazight zijn ook bekend in Nederland, bijvoorbeeld de dichter Moustafa Stitou, de schrijver Mohammed Chacha [Reå ‚‚abu ad d teffegh tfukt (Rompre le tabou et laisser le soleil paraître)], Mustafa Ayned, die niet alleen schrijver maar ook zanger en acteur is (Reíriq n tiri, De pijn van de schaduw (La doleur de l”ombre), en de regisseur Chaib Massaoudi die ook teksten van Abdelkader Benali heeft op het toneel gebracht.

We zijn nu gekomen aan het punt waar we een andere belangrijke vraag moeten stellen: Is literatuur alleen geschreven literatuur?

Het antwoord is: helemaal niet. De orale kunst van het vertellen en het componeren van liederen genereren ook een hoge esthetische kwaliteit en groot plezier. En in de verschillende vormen van het Tamazight bestaat een enorm rijk aantal, corpus liederen, gedichten, verhalen, kinderliedjes, sprookjes enz. die nog steeds levend zijn en geapprecieerd worden door de Imazighen, het Berberse publiek.

Bijna al deze genres worden ook door vrouwen beoefend, maar er is vooral één literair genre dat overal in de Maghreb door Timazighin, door Berberse vrouwen, beoefend wordt: het sprookje, zoals het in het Nederlands wordt genoemd.

Verhalen en vrouwelijke personages

In de verschillende Berberse dialecten kennen we veel namen en varianten van deze verhalen, maar er zijn toch veel overeenkomsten in de verhaalstof en de personages.

Het is niet zo raar dat een en hetzelfde genre verschillende namen krijgt, want, zoals A.Bounfour 1994:2081 schrijft, deze namen verwijzen naar verschillende aspecten van verhalen die gelijksoortig zijn. Zo verwijzen ummiy in het Chleuh of tanfust in het Riffijns naar het moment van de vertelling, bijvoorbeeld na het avondeten en rond de open haard; tamacahu„ in het Kabylisch en emey in het Toearegs verwijzen naar de stijl of naar de verleden tijd waarin de gebeurtenissen plaats vinden /gevonden hebben.

Zoals jullie waarschijnlijk weten, is de klassieke situatie van de vertelling van deze verhalen ”s avonds, in een groep van vrouwen en kinderen waarin verschillende vertelsters aan het woord komen terwijl het publiek participeert, soms met een antwoord, soms met een commentaar. Tegenwoordig is dit genre specifiek voor vrouwen. Er zijn onderzoekers die vraagtekens op dit punt plaatsen, want ze vragen zich af of het altijd zo geweest is. Mannen kennen deze verhalen inderdaad ook, want ze hebben ze als kind gehoord en ze kunnen ze ook vertellen als ze dat willen.

Enkelen denken dat deze verhalen pre-islamitische mythen zouden zijn die in het verleden ook door mannen verteld werden. De mythische aspecten van deze verhalen zouden verloren zijn gegaan toen de Islam geaccepteerd werd in de hele Maghreb. Anderen denken dat deze verhalen niet zomaar mythen waren, maar verteld werden door mannen en vrouwen tijdens pre-islamitische rituelen. Wat we met zekerheid kunnen zeggen is dat deze verhalen nog tot het begin van de vorige eeuw alleen s”avonds verteld mochten worden, want men geloofde dat anders de kinderen van de vertelster ziek zouden worden.

Wij zullen nu kijken naar een aantal elementen die tanfust en emey karakteriseren. Deze verhalen worden vaak geïntroduceerd en afgerond met begin- en slotformules.

In het Riffijns gebruikt men korte beginformules zoals : “ik heb je verteld” (in het Arabisch: íajit-ek) of heel lange formules zoals “hij zei tegen jou, in de tijd van het water, toen er nog leven en vertrouwen was…”[1].

Slotformules kunnen ook heel kort zijn zoals “ik kom er net vandaan”(iwa ha kiigh-d ssenni) of langere prachtige formules zoals degene die door de Franse onderzoeker Biarnay[FD9] uitgeschreven werden in het begin van deze eeuw: “Ik heb papieren sandalen gedragen, ik ben uitgegaan, ik heb naar mijn voeten gekeken en ik was op blote voeten”, of “ik heb langs het ravijn gelopen, ik heb een tuin gevonden; jij, je hebt de komkommer gegeten, maar ik, ik heb niks gegeten”.

Wat is de functie van begin- en slotformules? De meeste wetenschappers denken dat de formules de vertelling buiten de gewone, huidige tijd plaatsen en dat ook de verteller/vertelster en het publiek door de macht van de woorden naar een andere wereld verplaatst worden. De begin- en slotformules zouden dus een rituele functie hebben, want ze plaatsen een grens tussen de huidige tijd en het verleden, tussen onze wereld en de andere, fictieve wereld waarin gevaarlijke wezens wonen. Deze grenzen hebben een psychologische functie, want ze laten ons begrijpen dat men deze verhalen niet letterlijk hoeft te nemen, maar als voorbeelden moet zien.

Wat zeggen deze voorbeelden over vrouwelijke personages? Als we kijken naar de verzamelde en gepubliceerde sprookjes hebben we negatieve en positieve personages. De leeftijd is het eerste belangrijke kenmerk. Dit kenmerk zegt ons of een vrouwelijk personage positief of negatief is. Het meisje of de jonge vrouw die nog niet getrouwd is zijn vaak positieve personages, maar de getrouwde vrouwen en de oude vrouwen zijn veel gevaarlijker. Als we naar de status van de personages kijken, zien we een verschil tussen dorpelingen, meisjes die in een dorp wonen, en jonge vrouwen die magische krachten hebben en die vaak in wonderlijke verre landen wonen. De dorpsmeisjes zijn vaak de heldinnen van de verhalen, dat betekent dat het verhaal gaat over hun handeling zoals het gebeurt voor de jonge dorpsmannen, denkt aan Mqidec (Kabylia) of Mkidesj (Rif). In tegenstelling daartegen helpen de jonge vrouwen met magische krachten de mannelijke personages maar ze zijn technische gesproken niet de heldinnen.

Onder de vrouwen zijn er vooral drie personages die gevaarlijk zijn: de andere vrouw, als een man twee vrouwen heeft; de stiefmoeder; en vooral de vrouwelijke menseneter, lghula of tamåa in het Riffijns, teryel in het Kabylisch.

De vrouwelijke menseneter wordt aangesproken met familienamen zoals íenna (oma) in het Riffijns en xalti (tante) in het Riffijns en in het Kabylisch. Ze representeert alles wat negatief is in vrouwelijke personages, en staat dus tegenover hetgeen van de heldin verwacht wordt. De tamåa kan niet koken, en als ze iets kookt is het om mensen in de val te lokken. Ze heeft geen kind, en als ze een kind heeft of een kind adopteert verliest ze het aan het eind van het verhaal. Wat ze voornamelijk doet is van alles eten. Ze is onverzadigbaar: ze eet alle mensen en dieren op die in haar buurt komen, en ze representeert het negatieve model van een persoon die alles consumeert. En we moeten ons zich realiseren dat een persoon die teveel consumeert een groot risico voor de rurale maatschappij van deze verhalen wordt. Deze verhalen brengen ons in een wereld dat heel anders is dan de consumptiemaatschappij waar een men als ”consument” wordt benoemd. In tegendeel, moet de rurale maatschappij van deze verhalen met beperkte middelen overleven en iemand die alles gebruikt en consumeert wordt als een gevaar gerepresenteerd.[FD10]

Tegenover de tamåa – de menseneter – staan jonge vrouwen als positieve personages en in het bijzonder de jonge dorpeling, het meisje van het dorp, die weet wat ze moet doen, zeer intelligent is en het gevaar herkent dat de menseneter vertegenwoordigt. De heldin is vaak mooi en na haar huwelijk krijgt ze kinderen. Bovendien weet de heldin hoe moet ze praten.

We kunnen hierbij aan het personage van Lundja of Lila of Nunja denken, het meisje dat als kind door de vrouwelijke menseneter geadopteerd wordt en later als jong meisje vlucht, samen met haar neef. Ze weet wanneer en hoe ze tegen de tamåa moet praten en hoe ze zich moet gedragen om geen verdenking te wekken. Ook andere meisjes weten hoe ze moeten praten en zich gedragen, bijvoorbeeld het weesmeisje dat in het bos de kat Meseâud tegenkomt en van hem een beloning krijgt.

Deze verhalen laten ons dus gevaarlijke vrouwelijke personages zien, maar de jonge heldin geeft ook een zeer actief en positief voorbeeld.

In het algemeen kunnen we zeggen dat in dit genre de sociale normen worden versterkt. Zo vindt men hierin een klassieke taakverdeling tussen mannen en vrouwen; b.v. vrouwen koken en mannen jagen. We zien ook dat er vaak meer aandacht wordt geschonken en meer belang wordt gehecht aan zonen dan aan dochters. Bovendien is het woord van een man vaak belangrijker dan dat van een vrouw.

Niettemin bestaat er in deze verhalen toch een evenwicht in de capaciteiten van de heldinnen en de helden, die allemaal weten hoe ze zich moeten gedragen en hoe ze moeten praten, en die allemaal intelligent zijn. Meisjes kunnen zoals jongens onafhankelijke beslissingen nemen en in actie komen om zichzelf of hun familie te beschermen. We kunnen zeggen dat in deze verhalen vrouwelijke personages de mogelijkheid krijgen om hun stemmen en belangen te laten horen, maar zonder in verzet te treden tegen sociale normen en waarden.

Poëzie en vrouwelijke stemmen

De situatie verandert sterk als we naar het genre izli of izri kan kijken. Dit is ook een genre die we in verschillende Berberse talen kunnen vinden, vooral in Marokko waarin is het goed bekend in the Rif en in the Midden Atlas (Tamazight), maar ook in Kabylia. Izlan worden door vrouwen en mannen gecomponeerd door de prachtige tegenstelling tussen twee verzen van zeven syllabes die kunnen gegroepeerd in twee, of drie of meer. Een van de groep van twee verzen kan over de natuur gaat en de andere over een andere thema, zoals liefde, pijn, heemwee. In dit geval versterkt het verschil het poëtisch kwaliteit van de gedicht. (Yacine 1988, p.107) Een izli kan de gevoelens van een enige stem uitdrukken, maar we kunnen ook vinden het duet, een poetisch steekspel tussen een mannelijke stem en een vrouwelijke stem.

Izlan worden door vrouwen gereciteerd bijvoorbeeld tijden het feest, urar, en voraal voor een publiek van vrouwen. Een andere klassike plaats om izlan te reciteren was bij de tala, de bron, of langs de rivier. In deze gedichten vinden we veel meer een individuele kritische stem dan in sprookjes, bijvoorbeeld als ze tegen een gearrangeerd huwelijk gaan. Een voorbeeld vrij vertaald vanuit het Riffijns van de Ait Temsaman is:

A lalla, a lalla….ik zal mijn moeder niet vergeten die de henna voor mij gebruikt heeft

A lalla, a lalla… ik zal mijn vader niet vergeten die mij uitgehuwelijkt heeft

A lalla, a lalla, …hij heeft mij aan een oude man uitgehuwelijkt…

Hij heeft mij gegeven aan een oude man met gezwollen aderen, zijn baard is net alfagras…

En het gedicht gaat verder over het verschil tussen de oude man en de knappe neef die het meisje wilde trouwen.

In de izlan worden de mannen en de ouderen aangesproken, maar niet in een directe manier want de plaatsen waarin deze gedichten door vrouwen gereciteerd worden zijn opgesloten van het mannelijke gehoor. Of, in het geval van feesten, mannen horen wel, maar ze doen alsof ze naar de lidjes niet luisteren. Dit is een teken dat de kritiek van de izlan blijft allen een moment van uiting, waarin de verlang naar individueel geluk aangegeven wordt terwijl de familiebelangen de eerste plaats nemen. Sociale waarden en normen worden bekritiseerd in het gedicht om het gewone leven helpen te accepteren.

Recentere ontwikkelingen

De vrouwelijke poëzie heeft een nieuwe vorm gekregen met professionele zangeressen die beroemd zijn geworden, zoals Chérifa, Hnifa, of Fatima. Tassadit Yacine geeft ons een voorbeeld van de teksten van Fatima Tabaamrent, een zangeres uit de Sous. Haar teksten gaan niet alleen over melancholie, heemwee en moeilijke huwelijk, maar ook over Tamazight en vrouw zijn. En ik lees de vertaling van een paar verzen:

Ik zal nooit mijzelf verkopen, en nooit mijn Amazigh erfenis verlaten,

Ik zal steeds en steeds werken voor mijn identiteit

De tifinagh is in de diepte van mijn haart

Eer en roem aan onze cultuur

En wat gebeurt met de orale verhalen? Worden tanfust en tamacahu„ nog steeds verteld? Luisteren kinderen ernaar en leren ze nog steeds deze verhalen?

Het is zeker dat nieuwe media zoals radio, televisie en Internet veel veranderingen hebben aangebracht in het verspreiden van mondelinge verhalen in de maatschappij en het is ook zeer moeilijk te schatten of en hoe vaak ze nog steeds aan jonge kinderen worden verteld.

Toen ik een paar jaar geleden onderzoek deed in Marokko, heb ik veel keer kinderen ontmoet, en vooral op scholen op het platteland kenden ze heel veel tinfast (verhalen), ook als ze de Walt Disney-verhalen en personages van de TV-series kenden. Wat we verder weten is dat er steeds meer interesse voor sprookjes bestaat onder jonge mensen uit de Rif, Kabylië en andere gebieden. Berberse studenten en onderzoekers zijn begonnen verhalen te verzamelen en te publiceren, vaak met pedagogische of wetenschappelijke doeleinden, maar ook voor het plezier om ze weer te vertellen en te beluisteren. Ik denk dus dat het genre tanfust nog lang levend zal blijven, misschien met veranderingen en aanpassingen en in mogelijke combinaties van mondelinge vertelling, schrijven, cassetteopnamen, CD”s en video”s (Merolla 2002).

5de Rotterdamse Amazigh/Berber festival

You can visit Morocco with your family on your next holiday trip with your winnings from playing casino games at superbcasinos.com.

4Muziek, kunst, literatuur en discussieprogramma’s zijn de ingrediënten van het 5de Rotterdamse Amazigh/Berber festival. Met als centraal thema ‘Vrije Geluiden’ biedt dit festival podium aan artiesten, schrijvers en kunstenaars die binnen en buiten hun eigen gemeenschap hebben moeten vechten – en nog steeds vechten – voor hun persoonlijke vrijheid en die van anderen. Het recht op eigen stem, identiteit en persoonlijke vrijheid staat centraal in dit festival.

Hoe zo vrijheid?

Het 5de Rotterdamse Amazigh/Berber festival gaat op vrijdag 19 november van start met de opening van de expositie ‘Hoe zo vrijheid?’ een selectie cartoons van de kunstenaars Mohammed Abbtoy, Farhad Foroutanian en Kifah Al Reefi: uitdagende prenten, die de belevenis van onze actuele vrijheiden kritisch benaderen. De socioloog Abdelghafour Ahalli zal zijn impressies op de tentoonstelling geven. Het openingsprogramma vindt op vrijdag 19 november om 16.30 uur plaats op de 3de etage van de Centrale Gemeentelijke Bibliotheek te Rotterdam.

Op diezelfde dag 19 november, vanaf 19.30 uur, gaan schrijvers, muzikanten en publiek – onder begeleiding van presentator Asis Aynan – in gesprek over het thema ‘Mijn Vrijheid’. De locatie is het Bibliotheektheater. Bijzondere gasten op deze avond: schrijver Hafid Bouazza en schrijfster Fayza Oum ‘Hamed van het boek ‘De uitverkorene’ met het relaas van haar strijd om vrij te mogen leven. Verder: een gesprek van Theo Coşkun met schrijfster en zangeres Djur Djura, een internationaal bekende voorvechtster van de vrouwenrechten. De avond wordt afgesloten met een concert van Djur Djura: ze draagt de liederen op aan ‘alle vrouwen die zijn beroofd van vrijheid, liefde en kennis’. Rap’nB Flavor: vier artiesten, variërend in en gericht op verscheidene muziekstijlen met tracks over vrijheid van meningsuiting, levensliederen en liefde. Ze zingen in het Nederlands en het Amazigh.

Op vrijdag 26 november, om 19.30 uur, staat de belevenis van de ‘vrijheid in het woord’ centraal. Toneel, muziek en poëzie zijn de ingrediënten van deze boeiende avond in het Bibliotheektheater. Maak kennis met het nieuwste toneelstuk van Omar Boumazzough: Ayt Said City: in hoeverre is de mens eigenlijk vrij om de waarheid te uiten? Dat is de centrale vraag die Boumazzough behandelt in zijn tekst. Onder de begeleiding van de schrijver Fouad el Haji (winnaar van de El Hizjra Literatuurprijs 2010) treden o.a. de volgende dichters op: Mohamed el Hachmioui, Rashida Boukhizou, Mohamed Chacha en Ahmed Essadki. Het programma wordt afgesloten met een concert van de band Isri, een opgewekte fusionband, dat voor de muziek geïnspireerd is door Spaanse muziek, polka en zigeunermuziek. Zij zullen ook in het Tamazight zingen.

Het 5de Rotterdamse Amazigh/Berber festival wordt op zaterdag 27 november afgesloten met een muzikaal festijn voor jong en oud in het Bibliotheektheater. Aan dit bijzondere programma doen mee: Groep Zari met de Riffijnse zanger Afdjah en Kabylische zanger Hemmu. Ze bezingen het recht van de Imazighen om te genieten van hun eigen identiteit en cultuur, liefde en vrijheid; de geëngageerde muziekgroep Thidrin met hun lyriek over de erkenning van hun taal en cultuur. En ten slotte Ijdi, een bont gezelschap uit verschillende windstreken, die communiceren met een open muzikale vizier. Op deze avond brengt het Rotterdamse Amazigh Berber Festival een hommage aan de bekende berber dichter en voorvechter van de Imazighen Mohamed Chacha.

Het 5de Rotterdamse Amazigh/Berber festival is een project van de vereniging Tilelli, met de medewerking van de Centrale Bibliotheek Rotterdam. Het festival is mede mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van het Prins Bernhard Cultuurfonds, VSB Fonds, Stichting Bevordering van Volkskracht, Gemeente Rotterdam afd. Kunst en Cultuur, het Nederlands Letterenfonds, Fleur Groenendijk Foundation, Stichting Solidarodam en het Rotterdams Festival.

19, 26 en 27 november 2010

Centrale Gemeente Bibliotheek Rotterdam

 

CD presentatie Izran & Flamenco

izran_flamencoNa een zeer geslaagde reeks concerten in het kader van een Amazigh-Andalusisch project, dat zowel plaatsvond in België als in Nederland, komen Imetlaâ en de flamencogroep NL Mundo nu samen met een live-cd;. Een cd die oeroude Izran, het hart van de orale Amazigh cultuur in de Rif, laat samensmelten met de indrukwekkende klank en zang van de Flamenco. Vandaar de titel: Izran & Flamenco. Dit unieke Amazigh-Andalusisch project is een muzikale zoektocht van twee harmonieuze stijlen, vol schitterende lyrische melodieën en vurige passies, speurend naar raakvlaken die leiden naar de roots van Moors Spanje. Een zoektocht naar de muzikale cultuur ten tijde van Andalusië: een bloeiende periode waaraan diverse volkeren en culturen een bijdrage hebben geleverd, met name de Imazighen.
Tijdstip: 20:30
Lokatie: Korzo Theater
Prinsestraat 42
2513 CE Den Haag
Tel.: 070-3637540
Meer Info:
Imetlaa.com
Korzo Theater

Jongeren gaan de Atlanta vlinders achterna…naar de Rif

Vlindertuin in Marokko geopend door Burgemeester Opstelten:

Vrijdagochtend 9 maart vertrekt een groep van 16 Rotterdamse jongeren naar Nador in noord Marokko.

Samen met twee medewerkers van het Rotterdams Milieucentrum (Wouter Bauman en Mohamed Hacene) gaan de jongeren op zoek naar de Atalantavlinder in het Rif.
De Atalantavlinder wordt als metafoor gebruikt voor het Atalantaproject. Het is een dagvlinder die tussen Nederland en Marokko heen en weer ´pendelt´ en in beide landen voor nakomelingen zorgt. Het blijft niet alleen bij het zoeken naar vlinders.

Vlindertuin
In Nador leggen de Rotterdamse jongeren samen met Nadoriaanse jongeren van de organisatie Ilmas een vlindertuin aan. De ‘Atalantatuin’ wordt begin mei geopend door burgemeester Opstelten die dan in Nador op bezoek is.

Aapjes
De Rotterdammers gaan in Nador ook kennis maken met de natuur van het Rifgebergte en Marokkaanse natuur – milieuorganisaties. Er wordt een gebied bezocht (Gourougo) waar de Berberapen wordt beschermd en er is een bezoek aan een organisatie die met Berberpaarden werkt. Er wordt ook meegevaren met dolfijnvriendelijke vissers. En….uiteraard wordt er gevoetbald. De Atalanta’s tegen Hilal Nador. De verliezer moet bomen planten.

Milleniumdoelstellingen
Onderwerpen als klimaatveranderingen, ontwikkelingssamenwerking en de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties stonden centraal tijdens een aantal voorbereidingsbijeenkomsten die door het COS Rijnmond Midden Holland werden georganiseerd.

Cineac Nador 2
De hele reis wordt op video vastgelegd.
De videodocumentaire ‘Cineac Nador 2’ wordt gebruikt bij een groot aantal draagvlakversterkende activiteiten na terugkomst in de Rotterdamse wijken. Cineac Nador 2 wordt ook uitgezonden op Cineac TV.

30ste Ortel Dunyafestival
Zondagmiddag 27 mei staat een ATALANTAPAVILJOEN van drie tenten op het 30ste Ortel Dunyafestival. Daar presenteert het Atalantaproject zich aan het grote publiek met video, foto’s, theater.

Rap en talkshow
Ook wordt dan de nieuwe Atalantarap gepresenteerd. Rond het Atalantapaviljoen wordt samengewerkt met de landelijke klimaatcampagne Hier Nu en een aantal natuur – en milieuorganisaties.
Het Atalantapaviljoen is te vinden op het ‘solidatiteitsplein’ aan de Parklaan. Het paviljoen wordt om 13.30 uur geopend door Wethouder Orhan Kaya. Daarvoor is er een optreden van rapper Clifton Giersthove met zijn nieuwe klimaatrap op het nabijgelegen jongerenpodium. De Atalantajongeren zelf zijn zondagmiddag 27 mei te gast in een Dunyatalkshow in de ´Solidariteitstent´.

De jongeren zijn (ook in Marokko) te volgen op de volgende website:
www.atalantajongeren.nl

Niet klagen over kakkerlakken Heel Marokko is afzetmarkt smokkel;

Niet klagen over kakkerlakken Heel Marokko is afzetmarkt smokkel;
Nador, bakermat van de meeste Nederlandse Marokkanen

Door: Mohammed Benzakour

Vanuit de lucht wuiven de palmengroepjes op het vliegveld Nador de bezoeker een vriendelijk welkom toe. Ze beloven rust aan de mensen, die zich sedert Odysseus en zijn gezellen tot dit stukje mediterraan Marokko voelen aangetrokken.

Het schemert al, maar koel is het allerminst. Bij het uitstappen stijgt de bodemwarmte als hete stoom door mijn broekspijpen omhoog. Het is pas april.

De lange rij vermoeide passagiers kan de Arabische douaniers weinig schelen. Ze nemen alle tijd, bladeren het paspoort driemaal door, ginnegappen, nemen een slok thee, en geven uiteindelijk met een licht hoofdknikje het signaal ”doorlopen”, zonder de reiziger aan te kijken.

De stad, de regio, goeddeels het hele noordelijke Rifgebied wordt bewoond door Berbers of Imazighen, vrije mensen, zoals ze zichzelf liever noemen. Maar functies bij douane, politie, justitie en andere belangrijke overheidsbaantjes worden voornamelijk bezet door Arabisch sprekende Marokkanen, afkomstig uit de grote steden. Het is een doorn in het oog van de Berbers, die eeuwenlang hebben gestreden voor onafhankelijkheid.

Buiten wachten de taxi’’s. Oude, witte Mercedessen vol deuken. Een pezig, zwart geroosterd kereltje met een te groot NY-baseballpetje schreeuwt en gebaart heftig, hollend van de ene stoep naar de andere. Niets ontgaat hem. Indrukwekkend veel leven in zo weinig body. Hij is de corti: hij zorgt ervoor dat alle taxi’’s goed gevuld op weg gaan. Om zijn rimpelnekje hangt een touw met een verfomfaaid ruitjesstencil eraan, de tarievenlijst, voor dag en nacht.

“Nador?”, roept-ie. Ik knik. Voor ik er erg in heb, ligt mijn bagage al in de kofferbak. De prijs is 150 dirham, prix fixe, ofwel 15 duizend frank, ofwel 300 dorro (de lokale munteenheid), omgerekend 14 euro. Een fijn prijsje voor een nachtrit van veertig minuten. Dat wil zeggen: fijn voor mij. Voor dit geld moet je hier een volle week in de bouw ploeteren. Of twee weken ijverig schoenen poetsen.

“Wanneer gaat eigenlijk het avondtarief in?”, vraag ik onderweg. De groeven in zijn gezicht zijn dik en kronkelig en lopen over in zijn hals, alsof de routekaart op z” n tronie is gedrukt. Begin vijftig denk ik, al is schatting van leeftijden in een streek waar zon en stof aanvallen doen op de huid altijd hachelijk. Even lijkt hij de vraag niet te begrijpen. Dan mompelt-ie: “Als het vliegtuig landt.”

Ik zwijg en samen staren we de duisternis in. Het landschap trekt aan mij voorbij maar ik zie geen hand voor ogen. Wegverlichting is schaars in dit gebied. Bijna alle verlichting komt van de maan en de zon. En van autolampen. Als die het doen tenminste. Onlangs, zo verbreekt de chauffeur het stilzwijgen, was er weer een fataal ongeluk. Een automobilist dacht dat zijn tegenligger een bromfiets was; het bleek een auto met maar één brandende koplamp.

Ik tast naar m”n gordel, maar die ontbreekt. “Is niet nodig vriend. Mijn ogen en koplampen functioneren alle vier nog uitstekend.”

Als ik de volgende morgen bij de receptionist terloops m”n beklag doe over kakkerlakken in de badkamer, krijg ik te horen dat wij, shab el garrizj (Europese Marokkanen), niet zo moeten zeuren. “Jullie komen eens per jaar naar onze hotels en jullie verwachten dat de kakkerlakken die hier het hele jaar door wonen ineens plaats maken voor jullie. Dat is onrechtvaardig, de kakkerlakken hebben meer recht op huisvesting.” Ik geef hem lachend gelijk.

Na de kruizemuntthee en de donut neem ik een kijkje in het centrum van de stad, waar zich de grootste bazaar bevindt, de soek moerkeb. Zeven dagen per week, 365 dagen per jaar vormt deze markt het kloppend hart van de stad. Vanuit de hele streek strijkt men neer in deze stoffige bijenkorf. Overal wild gesticulerende Berbers met tongen die ratelen als ratelslangstaarten, overal kruipen invaliden, bedelaars en pokkenslachtoffers op zoek naar verlossing in de vorm van enkele dirhams. Steeds breken kleine ruzies los.

De markt biedt alles wat een mens nodig heeft. Scheerborstels, tassen met bloemetjesmotief, nagelknippertjes, gelakte schelpasbakken, Mickey Mouse-pyjama’’s, gympies van merken die mij vaaglijk bekend voorkomen: Abibas, Reibok, Poena. Mobieltjes en illegale Bollywood- en Jackie Chan-dvd’’s liggen in duizenden opgestapeld naast de olijven, dadels en eau de cologne. Vrouwen met met kohl omcirkelde ogen zitten gehurkt op de grond en verven voor een halve euro hennaversieringen op handen. Achter de muren de vlees- en vismarkt. Een koeiehoofd vol vliegen bungelt aan een touw. Kippen en konijnen wordt voor je ogen de keel doorgesneden, hun vlees panklaar gemaakt.

Plotseling consternatie. Twee jongens rollen over de grond. Schuttingtaal van het hogere soort. Moeder de hoer en vader de pooier, de complete familie incluis de doden wordt vervloekt. Bloed trekt druppelend een spoor. Geblondeerde zuslief, die kennelijk de inzet was, gilt aan een stuk door dat ze “hem niet eens kent!” Eindelijk lukt het omstanders de twee uit elkaar te halen. De massa stuift uiteen en gaat over tot de orde van de dag. Agenten, die je normaal overal ziet staan, zijn nu nergens te bekennen. “Tja die vrouwen…”, mompelt de sappenman.

Zo gaat het iedere dag. Passerende meisjes wordt onophoudelijk het hof gemaakt. Dit komt neer op uitnodigingen tot intiem verkeer, vaak op platvloerse wijze en soms met handtastelijkheden. Maar o wee als zich tussen die meisjes zuslief/dochterlief bevindt. Dan zijn zuslief/dochterlief en de loslippige jongen hun leven niet meer zeker. Anders gezegd: wél eisen dat de ander jouw familie respecteert maar zelf die waardigheid niet opbrengen voor andermans familie. Ziehier de culturele schizofrenie in de man/vrouwomgang, een kwaal die geëxporteerd is naar Nederland.

“Een kloppend hart zeg je”, schatert de horlogeman. “Een kloppend geslachtsdeel zal je bedoelen!” Hij draagt een vuile spijkerboek en verkoopt deftige horloges. Gucci, Rolex, Prada, ik zag zelfs een Mercedes-horloge liggen, alles keurig geordend op een kartonnen bord op de grond. Bestaan die, Mercedes-horloges? “Alles bestaat hier”, zegt hij resoluut. “Als je maar dinero hebt.”

“Snel, snel, ze komen eraan”, schreeuwt plotseling een knulletje. De horlogejongen en ook de riemenjongen, de schoenenjongen, de cassettebandjesjongen graaien hun boeltje bij elkaar en stoppen het vliegensvlug in een grote zak. Als de agenten voorbij zijn gesjokt, ligt het zaakje weer uitgestald, blikkerend in de zon.

Dat ”kloppend geslachtsdeel” is niet gek bedacht. In en rondom souk moerkeb krioelt het van de geslachtsrijpe meisje die zich opgetut hebben. De jongens sissen en fluiten, het stuiptrekkende liefdesverlangen spat van hun gezichten. “Tssssst, tsssst, o, moeder van me, je borsten doen mijn hersens vervliegen.” “O snoepje van mijn leven, mijn hart wordt een bloem bij jouw aanblik.” Mooi gezegd allemaal, maar de meisjes horen dit duizendmaal in duizend steegjes. Dus zijn ze Oostberbers doof. Soms lispelen ze iets gevat arrogants terug. De jongens zijn al blij met een reactie en roffelen zich lachend op de borst. In de zomermaanden is het hier helemaal een testosteronkermis. Dan strijken de jongens en meisjes uit Europa met vele duizenden tegelijk neer. De shab el garrizj zijn de echtelijke toegangspoort tot Europa, de droom van elke Riffijn, jongen of meisje, mank of blind. Maar de poort is als de grot van Ali Baba en gaat slechts open voor een enkeling. De rest groeit op voor galg en rad, hangt in cafés (die goddank geen consumptieverplichting kennen), verkopen zonnepitjes. En ze snuiven lijm, biljarten in speelhallen met verouderde spelmachines op Bob Marley’’s No woman no cry.

”Misschien maak je vandaag wat geld, maar morgen zit je zo weer in de put”, zegt de cassettebandjesverkoper. Tragisch is de Werdegang van Rachid Nadori, de beroemde zanger van Nador. Ooit was hij een lokale grootheid, op alle bruiloften werd hij gevraagd te komen zingen. Over de liefde en het vrije leven. Verzoop in dure kleding, dikke auto’’s, gouden Rolexen, vino, hasjiesj en meisjes, veel meisjes. En nu? Nu staat Rachid gebruikte schoenen te verkopen op een vlooienmarkt.

Ik zocht hem op. “Ja jongen, zo is het leven.” Hij kan nog net z”n kamer en sardientjes betalen. Hij heeft een darmkwaal, maar geen geld voor een operatie. Alle miljoenen zijn verbrast. “Nee, het is grotendeels gestolen”, corrigeert-ie zich snel. Wat rest zijn bittere herinneringen. “Vriendschap bestaat niet, mijn broer.” Hij heeft me het misschien vijf keer gezegd. Bij het afscheid vraagt-ie me of ik misschien niet een Nederlandse vrouw ken die met een zanger wil trouwen. “Ik zal een mooi liedje voor haar maken.” Hij geeft me zijn nummer, want zonder mobieltje kun je net zo goed doodgaan.

‘’s Avonds, als de marktkooplui hun vodden bijeenrapen, wordt de grimmigheid pas goed zichtbaar. Terwijl het stof langzaam neerdaalt en vanaf de minaret de gelovigen worden opgeroepen om voor Allah te knielen, verschijnen her en der geschminkte meisjes, dikwijls dik. Ze hebben vooral oog voor mannen met auto’’s, en vice versa. Deze ”autohoertjes” zijn voornamelijk afkomstig uit de arabofone binnenlanden, omdat Berbermeisjes “te trots zijn om voor geld de benen te spreiden”, al treedt in dit opzicht een zekere verandering op. Er is immers een punt waarop armoede lak heeft aan trots. Tegelijk met de autohoertjes duiken allerlei alcoholische landlopers op die er niet voor terugdeinzen om voor tien euro een mes tussen je ribben te planten. Ondertussen storten honden zich onder woest gehuil op het achtergelaten vleesafval.

Sinds een paar jaren kent de stad groene prullenbakken. Dit klinkt als vooruitgang. Maar welk nut heeft een prullenbak als deze nauwelijks wordt geleegd? Visgraten en groenteafval puilen eruit als de smurrie uit een opengereten schapemaag. Bovendien, welk nut heeft een prullenbak als het volk niet is opgevoed om z”n rotzooi in daartoe bestemde bakken te deponeren? De aanblik van wegwaaiende colablikjes, bierblikjes, karton en sinaasappelschillen maakt het moeilijk voorstelbaar dat Nador, gespekt door de deviezenoverdracht van de honderdduizenden Berbermigranten in West-Europa, behoort tot de rijkste steden van Marokko. De vuilnisophaaldienst, die ‘’s nachts in de weer is, voorkomt dat deze overbevolkte stad (200.000 inwoners, en in de zomermaanden bijna een verdubbeling door de komst van shab el garrizj) niet wegzakt in de eigen stank en vuilnis.

Nergens in Marokko is het corruptiesysteem beter geoutilleerd dan in deze havenstad. “De nazaten van een in Nador gestationeerde politieagent hoeven nooit meer te werken”, vertelt mijn neef. Hij heeft in Rabat geneeskunde gestudeerd, specialiseerde zich in Frankrijk tot uroloog en heeft sinds twee jaar een praktijk in Nador. “Dit is hoofdzakelijk het gevolg van de contrabande”, zegt hij – de smokkelhandel uit de Spaanse enclave Melilla.

We brengen een bezoek aan het grensgebied, de heksenketel van Beni Ansar. Onder een brandende zon krioelt het er van de smokkelaars, gelukszoekers en meisjes die zich aan Spanjaarden verkopen. Mannen en vrouwen, onder wie bejaarden en kinderen, sjouwen enorme dozen en balen vol Spaanse waar: fruitsappen, matrassen, sauzen, broeken, kasten. De hele Ikea en Hema op een mensenrug – het kan.

Een vrouw met gekromde rug stort ter aarde. De blikjes tonijn en snoep rollen over straat. Haar handen zijn kapot. Twee mannen beuken op een andere man in totdat-ie gillend het hazepad kiest, blootsvoets over een veld vol distels. Een jongetje dat over een hek met prikkeldraad probeert te vluchten krijgt een gummiknuppel tegen z”n rug gesmeten. Hij valt neer met bloedende handen.

Een kilometer verderop, in de bossen van Gourougou, bivakkeren Nigerianen en Senegalezen. Duizenden kilometers hebben deze Afrikanen afgelegd, barrevoets. Ze wachten hun kans af om in Melilla asiel aan te vragen. Maar de Marokkaanse politie treedt hard op.

Mensenrechtenorganisaties trekken voortdurend maar vergeefs aan de bel. Als ik mijn neef vraag waar die stumperds van moeten leven, zegt-ie dat ze “bijna alle apen van Gourougou hebben opgepeuzeld.”

“Kijk”, en hij wijst op de overkant. Drie gesluierde vrouwen met geverfde lippen glippen een grenskantoortje binnen. Een half uurtje later wandelen ze naar buiten, schikken nog snel hun djellaba’’s, en passeren de grenspost.

De invoer van de Spaanse producten is bij wet verboden, maar de smokkel wordt gedoogd, omdat er steekpenningen worden betaald door winkeliers, bouwondernemers en koppelbazen. De smokkelwaar heeft heel Marokko als afzetmarkt. “Heel de politie, van hoog tot laag, verdient er goudgeld aan, ook de burgemeester. Dit is de reden waarom de autoriteiten nauwelijks aanspraak maken op dit nooit teruggegeven stukje Marokkaans grondgebied.”

Op de verbindingsweg Nador-Melilla voert de douanepolitie dag en nacht controles uit, met uitgerolde spijkermatjes. “Wie flappen overlegt, mag doorrijden. Anders wacht een fikse boete en inbeslagname van alle waar, rijbewijs en auto incluis.”

Zo gaat dat met vrijwel alle bezigheden in Nador. Wie bouwen wil, moet zijn vergunning onderhands afkopen. Prostitutie is officieel streng verboden, maar een op de drie hotels in Nador is een verkapt bordeel. “Hoertjes ontvangen er klanten voor 2 of 3 euro.” Dit gedoogbeleid is pure business. “Politie en stadsbestuur delen in de winst die de hoteleigenaar c.q. pooier maakt door uitbuiting van de meisjes.” Meisjes moeten om het half jaar worden vervangen om te voorkomen dat de halve stad aan druipers bezwijkt. Condooms zijn, net als tandpasta, luxe artikelen.

Nador-stad kent echter ook een welvarend gezicht. Nette banken, dure hotels, sjieke restaurants en grand cafés. Maar het is schijn. Al het vastgoed is in handen van een kleine bovenlaag van drugsbaronnen en malafide investeerders. In de dure etablissementen, met weelderige tuinen en terrassen, zijn vaak weinig klanten te bekennen, zodat je je afvraagt waar de winst in godsnaam vandaan komt. Zoals je je ook afvraagt hoe het zit met die gsm-gekte in een stad waar een telefoongesprek evenveel kost als het loon van een naaister. Zelfs de armoedigste sigarettenjongens hebben een ”portative”, bij voorkeur de nieuwste Ericsson of Nokia.

De portatives zijn overigens vooral een zegen voor de meisjes. “Nu kunnen ze eindeloos afspraakjes maken en kletsen zonder gezien te worden”, legt de ober van Las Vegas uit. De tv, in het midden van het café, staat loeihard aan. Voetbal, Barcelona tegen Getafe, met een voetbalcommentator die nooit geleerd heeft dat enkele seconden zwijgen kan bijdragen aan het kijkplezier. “Ach jij aap, ga toch je kont geven!”, schreeuwt een gast als Ronaldinho doel mist. Luid gelach.

“Wat is er mis met de liefde?”, vraag ik de ober. “Die portatives zaaien geen liefde, maar nog meer hoererij”, antwoordt hij. “Elk meisje gaat tegenwoordig zo met je mee, van voren of van achteren. Ja, het zijn vreselijke tijden, laat Allah ons behoeden.” Ik vraag hem hoe hij weet of een meisje een hoertje is of gewoon een vriendje wil en een beetje liefde. “Ach, dat zie je toch in één oogopslag. Sletjes kijken voortdurend om zich heen. Kuise meisjes richten hun blik naar de grond. En je ziet het ook aan de huid. Sletjes zijn meestal zonverbrand omdat ze veel op straat hangen. Terwijl huwbare meisjes blank zijn. Zo simpel is het.” Na enig aandringen bekent-ie dat ook hij een vriendinnetje heeft. “Maar de mijne is kuis hoor, dat begrijp je wel, ik ga met haar trouwen, insha”allah.”

Weldra valt de schemer in. Ik slenter nogmaals door de stad, beging vorige eeuw gebouwd door de Spaanse kolonisator. Oude foto’’s laten een statige stad zien, met brandschone boulevards en melkwitte overheidsgebouwen in Andalusische stijl. Maar vandaag maken de gebouwen een verpauperde, troosteloze indruk. Het wegdek is soms net een maanlandschap; kuilen ter grootte van een skippybal, ijzeren spijlen die zomaar uit de grond omhoog steken en reeds talloze tenen hebben gebroken. Een deftig hotel met daarnaast een vuilnisbelt. Op elke hoek een apotheek en belhuis, terwijl een kwart van de mensen ‘’s morgens niet weet of ze ‘’s avonds eten op tafel hebben. In elke straat een glimmende jeep, terwijl je struikelt over de manken en beenlozen. Op elke hoek een internetcafé, hoewel de helft analfabeet is. Een hond die uitgebreid staat te poepen naast een pizzeria, bodybuildingcentra waar een handjevol jongemannen aan halters duwt en trekt, wat resulteert in kortbenige bobbeltorso’’s die kolderiek aandoen in het straatbeeld omdat de Berberman van nature klein en tanig is gebouwd. Wanneer ik de volgende morgen aangenaam verrast een paar schilders de boomstammen en stoepranden een likje verf zie geven, blijkt deze opknapbeurt een opportunistisch karweitje. “De koning komt binnenkort op bezoek”, al kan niemand mij vertellen welke dag.

Kent Nador moderniteit? Ja, maar het is een vreemde moderniteit. Ze is een ongenode gast, een indringer die via de achtertuin naar binnen is geslopen. Je krijgt vaag het gevoel dat een catastrofe in de lucht hangt.

Na precies zeven dagen ben ik de stad moe. Op blote knieën bedank ik m”n vader dat-ie me naar Zwijndrecht heeft getransporteerd. Tegelijk neem ik mij voor om elke Marokkaan die ik in Nederland nog ach en wee hoor roepen over xenofobie, racistische media of een te lage uitkering goed de wind van voren te geven. En die Amsterdamse straatschoffies, die zouden eens hier hun taakstraffen moeten verrichten. Iedere dag op rantsoen schoenen poetsen of voor 4 euro per dag muren metselen en stenen sjouwen onder de brandende zon, dat zal ze mores leren. Zulke gedachten zijn ongerijmd, ik weet het, maar ze spoken wel door je hoofd.

Ik besluit mijn dorp op te zoeken.

De taxi, met zeven inzittenden, slingert zich langs smalle bergweggetjes omhoog. Duizenden, miljoenen zwarte plastic tasjes wapperen als lapjes luchtig textiel aan distels en cactusstruiken. Heuvels met ceders reiken tot achter de horizon. Reusachtige kloven en scheuren getuigen van de immense krachten die er duizenden jaren geleden op hebben ingewerkt. Zelden heb ik mij in de natuur zo klein gevoeld.

Na Nador is mijn dorpje Ouled Ali een weldaad. Het dorpje is gelegen aan de voet van een heuvel vol graan. Het heeft begin april eindelijk flink geregend, anders was de oogst grandioos mislukt. “Onze natuur is erg onvoorspelbaar, soms schenkt ze royaal, soms is ze gierig”, zo doceert M”hamed, een fundamentalistische dorpsgenoot. Hij is klein, draagt een volle baard en gaat vaak in smetteloos wit. In de dorpsmoskee komt hij al jaren niet meer, “omdat de moskeegangers allemaal nepmoslims zijn. Ze liegen en stelen bij de vleet.” Op zachte toon (want zo sprak ook de profeet) legt hij uit dat “het vegetatiedek door het grillige en vaak droge klimaat is weggeslagen en het water wegstroomt”. M”hamed heeft landbouwkunde gestudeerd maar heeft altijd als metselaar gewerkt. “Ik kon nergens werk vinden en ik moest toch vrouw en vier kinderen voeden.”

Al snel komen we over religie te praten, zijn favoriete onderwerp. “Nador, nee, heel Marokko, gaat naar de afgrond omdat de mensen zijn afgedwaald van het goede pad, het pad van Allah.” Hij zegt het op een toon die geen twijfel overlaat. Of hij gehoord heeft van de moord op Theo van Gogh? “Jawel. Maar dat was een onislamitische daad waarvoor de moordenaar door Allah zal worden bestraft. Hij verdient het niet de naam Mohammed te dragen.” B. heeft het volgens hem niet begrepen. “Ik snap zijn grief wel, maar die had hijmoeten aanwenden door voor Theo te bidden. Zo hoort het.” Hij nodigt mij uit voor de maaltijd, die avond.

‘’s Avonds klinkt in de verte het geblaf van honden. Als het laatste avondgebed uit de minaret klinkt, gaat het geblaf ineens, wonderlijk, over in gejank. Overdag zie je die beesten zelden. Ze houden zich schuil in de heuvels, uit angst een steen naar de kop te krijgen.

‘’s Nachts hoor je weleens een auto snoeihard voorbijrazen. Dat zijn vaak smokkelaars die de verbindingsweg Melilla-Nador omzeilen. Ze verkiezen – zonder verlichting – de gevaarlijke sluiproutes langs diepe dalen. Veel smokkelaars eindigden in een ravijn.

Mijn radiowekker blijkt al snel overbodig. De oude ezel van mijn buurvrouw zet iedere ochtend stipt om zeven uur een keel op. Sinds vorig jaar kent Ouled Ali een belhuis. Ook was er een internetcafeetje, drie computers in een garage, maar dat was van korte duur. “Vanuit de stad sneden ze steeds de verbindingskabels door omdat ze het niet konden uitstaan dat we hun klandizie afpakten”, zegt de eigenaar, een frisse jongen van 22.

De emigratie van Berbers naar Europa heeft ook in Ouled Ali zijn sporen getrokken. Zo zie je hoe betonnen blokhuizen van soms wel vier etages de plaats innemen van de traditionele huizen van leem en riet. Deze enorme panden, dikwijls roze of mintgroen, zijn gebouwd met de spaarcentjes van de hardwerkende migranten in Europa. Het is vaak hun enige voorziening voor de oude dag. De tragiek is dat deze blokhuizen het hele jaar, en soms wel drie jaar leeg staan. Want behalve gedurende de zomervakanties keren slechts weinig migranten echt terug, zodat de huizen verpauperen. De enige aan wie ze huisvesting bieden, zijn muizen, vliegen en termieten.

Enkele dorpelingen die ‘’s avonds in het buurtwinkeltje zitten te kaarten, zien in deze bakbeesten een heuse vloek. “Ze zijn zo hoog dat ze vanuit de ramen op onze patio’’s neerkijken, waar onze vrouwen dweilen en de was doen. Schaamteloos.”

“Ja”,zegt een ander, “Ze kunnen alles begluren, schandelijk!”

Een derde voegt toe: “Dit is wat de migranten uit Europa hebben meegenomen: goddeloosheid.”

Portret El-Mahdi Acherchour

2De Nederlandse vertaling van El-Mahdi Archerchour’s boek ‘Landwee’ heeft lovende recensies in de pers gekregen.

In 2005 kwam de schrijver-dichter op uitnodiging van Stichting Amsterdam Vluchtstad uit Algerije naar Nederland. Deze stichting maakt zich hard voor bedreigde schrijvers. Hierdoor heeft Archerchour in het voormalig woonhuis van Anne Frank aan het Merwedeplein kunnen werken aan zijn boek ‘Landwee’. Ahmed Aynan gebruikte dit boek als rode draad in zijn gesprek met de schrijver.